amerigo
over de kunsten, reizen & boeken by Erwin Nas

esthetica

esthetica = filosofie = leer van zintuiglijke waarneming = schoonheid en kunst

moderne esthetica - 20e eeuw tot heden - wikipedia - benaderingswijzen
In de kunstfilosofie wordt over verschillende aspecten van kunst nagedacht. Hierbij spelen 6 mogelijke gezichtspunten een rol :
Het mimetische standpunt beschouwt de relatie kunstwerk-fysieke werkelijkheid : een kunstwerk is een representatie van de werkelijkheid. Hierbij kan onderscheid worden gemaakt tussen idealistische mimese en naturalistische mimese.

idealistische mimese : Deze variant neemt de Platoonse ideeënwereld als uitgangspunt voor de mimese : Kunst is een afbeelding van de ideale werkelijkheid. Enkele concrete voorbeelden : Raphael en Michelangelo.

naturalistische mimese : Aanhangers van deze stroming beweren dat kunst de zichtbare werkelijkheid representeert. Enkele concrete voorbeelden : Rembrandt en Caravaggio.

Het expressivistische standpunt beschouwt de relatie kunstenaar-kunstwerk : een waarneembaar kunstwerk moet worden beschouwd als een uiting van een kunstwerk dat al in de geest van de kunstenaar aanwezig is. De term expressie is in deze betekenis gelijk met intuïtie en moet onderscheiden worden van het geproduceerde object : in feite is het kunstwerk dat in de geest van de kunstenaar aanwezig is het echte kunstwerk.

Het formalistische standpunt beperkt zich tot de beschouwing van het kunstwerk zelf : het kunstwerk moet worden beoordeeld op grond van kwaliteiten die in het werk aanwezig zijn, bijvoorbeeld technische aspecten. Onder andere Clive Bell hanteert deze manier van kunstbeschouwing.

Het impressivistische standpunt : reflecteert over de relatie kunstwerk-individuele kunstbeschouwer : de nadruk komt te liggen op de esthetische ervaring die door het kunstwerk in ons wordt opgewekt.

Het kunsthistorisch perspectief, dat Hegel introduceerde : hierbij wordt de ontwikkeling van de kunst beschouwd als wezenlijk deel uitmakend van de kunst zelf.

De verhouding kunstwerk en sociaal-historische context. Typische kunstfilosofische vragen zijn bijvoorbeeld : Is kunst een weerspiegeling van de maatschappelijke werkelijkheid ? Heeft kunst een sociale functie ?

Wijsgerige esthetica of kunstfilosofie Esthetica dekt meerdere betekenissen. Ze kan empirisch van aard zijn, neem bijvoorbeeld : technisch (compositie) of wetenschappelijke (vanuit fysiologie, optica,...) of geschiedkundig (schoonheidsopvattingen in de middeleeuwen). Hierbij kan esthetica alle domeinen binnen 'de leer van waarneming' dekken, maar is de wijsbegeerte slechts bezig met de normatieve domeinen, dus niet op feiten gebaseerd. Ze baseren zich op bestaande opvattingen, of benaderingen (zoals in bovenstaande tekst).

Om misverstanden te vermijden spreekt men over 'wijsgerige esthetica' of 'kunstfilosofie'. Als men zich afvraagt wat het nut is van een nabootsing van reeds bestaand object, dan zit men in het domein van de kunstfilosofie. Volgens hedendaagse opvattingen zijn 'kunst' en 'filosofie' steeds onafscheidelijker en niet meer principieel verschillend. Aangezien men binnen de Avant-garde stromingen bestaande normen heeft overschreden en de vraag 'Wat is kunst?' prangend maakte, is men steeds vaker beroep gaan doen op 'het denken over kunst'. Dit geldt eveneens voor de filosofie die zijn rationele tendensen heeft afgeworpen na de post-moderne ontwikkelingen. Zuivere logica maakte plaats voor 'de kunst van het denken'. In de filosofie is er dus ook steeds meer sprake over een vorm van 'esthetisch denken'.

Esthetica in specifieke kunsten Iedere kunststroming heeft haar eigen esthetische opvatting. Een dergelijke verzameling van esthetische opvattingen en uitgangspunten is doorgaans vastgelegd door de desbetreffende kunstbeschouwende tak, zoals de vormleer in de architectuur, en de vormleer van een bepaalde muziekstijl.

Bekentenissen van een filosoof - Bryan Magee - kunst 32-33
35 Zolas Schopenhauer het formuleerde doet de filosoof in abstracto wat de beeldend kunstenaar in concreto doet. De filosoof kan zijn bevindingen slechts uiten in de vorm van denkbeelden en het is mogelijk dat de filosofie gezien het onvermijdelijke algemene karakter van denkbeelden niet zo stevig kan toebijten als de kunst dat kan, maar tegelijkertijd kan de filosofie andere dingen die de kunst niet kan. Toen Iris Murdoch beweerde : »De kunst graaft, goedschiks of kwaadschiks, dieper dan de filosofie,« [in Bryan Magee, Men of Ideas, blz 277] had ze gelijk voor zover ze daarmee impliciet wilde uitdrukken dat de filosofie in sommige opzichten boven de kunst uitsteekt, maar ook dat de filosofie in het geheel onderdoet voor de kunst.

Ik besef volkomen dat de kunst geen intellectuele en nog minder een academische bezigheid is, maar óver de kunst vallen interessante dingen te zeggen die de moeite waard zijn en zij kunnen alleen worden uitgesproken vanuit de achtergrond van de cultuurgeschiedenis

106 »Ik ben een levend zien.« Fichte.
Maar er zijn woorden om de onregelmatige vorm van het merendeel van de objecten die ik zie te beschrijven en er zijn evenmin woorden om de veelvoudige, naast elkaar bestaande driedimensionale ruimtelijke relaties te beschrijven waar in, zoals ik onmiddelijk zie, onderling verkeren. Er zijn geen woorden voor de oneindig verschillende nuances en kleurwisselingen die ik zie en ook niet voor de veelvoud van licht en schaduw.

106 Er zijn geen woorden voor de oneindig verschillende nuances en kleurwisselingen die ik zie en ook niet voor de veelvoud van licht en schaduw. Telkens als ik iets zie, kan de taal niet meer dan uiterst algemeen en met de ruimste en grofste bewoordingen aanduiden wat ik zie.
Zelfs zo iets eenvoudigs en alledaagsals de aanblik van een handdoek die in de badkamer op de grond is gevallen is voor taal onbereikbaar - tegelijkertijd onbereikbaar in velerlei opzicht : geen woorden om de vorm waarin de handdoek is gevallen te beschrijven, geen woorden om de gradatiesvan schaduw in de kleuren te beschrijven, geen woorden om de nuances van de schaduwen in de plooien te beschrijven, geen woorden om zijn ruimtelijke relatie ten opzichte van alle andere voorwerpen in de badkamer te beschrijven.

Ik zie al die dingen in één oogopslag met de grootste nauwkeurigheid en bepaaldheid, met helderheid en zonder enige twijfel, en ik overzie de gehele complexiteit van het beeld. Ik bezit al die dingen geheel en al en zeker als een vorm van rechtstreekse waarnemingen toch zou ik, net als ieder ander, absoluut niet in staat zijn die waarneming onder woorden te brengen.

Waarom wordt altijd zo moeilijk gedaan over kunst ? Met name hedendaagse kunst ? Dat heeft volgens mij niet met het voorwerp van kunst van doen als wel met taal. Onze taal is beperkt. Te beperkt om waarnemingen van al onze vijf zintuigen zodanig te beschrijven dat een ander kan lezen wat wordt waargenomen.

107/108 Het is nu eenmaal een feit dat niets van onze rechtstreekse waarneming toereikend met woorden omschreven kan worden. En dit gaat niet alleen op voor onze zintuigelijke waarneming van de buitenwereld. Binnen in mij bestaat er de hele tijd een complexe dynamische stroom van een niet-aflatend bewustzijn, van stemming, reactie, respons, gevoel, emotionele buien, waarnemingen van samenhangen en verschillen, verwijzingen naar ervaringen in het verleden, verwijzingen naar zijdelingse ervaringen, met opflakkerende hele en halve gedachten en geheugenflarden, die allemaal een ogenblik aanwezig zijn en weer wegdrijven in telkens wisselende, met elkaar verweven strengen en die eindeloos stromen in een warme, weerkaatsende echokamer vol weerklank, nagalm, connotaties en implicaties.

108 Misschien zou ik me dit in de een of andere vorm van orkestrale muziek vertaald voor kunnen stellen, maar beslist niet in woorden.

Probeer maar eens een muziekstuk te beschrijven.

108 »Wat we niet kunnen zeggen kunnen we niet zeggen en we kunnen het ook niet fluiten«. Ramsey

108 De veronderstelling dat alles wat kan worden ervaren, waargenomen, gekend of gecommuniceerd ook door middel van woorden uitgesproken zou kunnen worden is te ongerijmd om ook maar een ogenblik te overwegen. Dit heeft drastische implicaties voor elke filosofie die vasthoudt aan de stelling dat empirische kennis uit de ervaring moet voortvloeien.

= Deze rechtstreekse ervaring is de enige volledige kennis van de wereld waar we ooit over kunnen beschikken. Mensen die daarin rijk zijn, zijn rijk in het werkelijke leven.

109 Hoewel het unieke karakter van de doorleefde ervaring niet door middel van begrippen kan worden meegedeeld, bestaat er toch een vorm van communicatie om het mee te delen : door middel van kunstwerken.

Dit verklaart waarom het onmogelijk is te zeggen wat een kunstwerk betekent of uitdrukt of overdraagt, zelfs als dat kunstwerk uit woorden bestaat.

Niet alleen onze rechtstreekse waarneming is onmogelijk onder woorden te brengen, dat geldt ook voor onze gemoedstoestanden. Maar ook het besef dat we van onszelf hebben, ons gevoel inzake goed en kwaad, of het doordrongen zijn van onze sterfelijkheid. Deze moeilijkheid heeft geleid tot uitdrukkingen als : »iets onder woorden brengen« of »ik weet niet hoe ik dit moet uitdrukken«.

amerigo

Erwin Nas - kunst, cultuur & reizen - amerigo, 2017